2de, 3de Karabiniers

keer terug

Bunkerij tussen Stroombeek en Wallemolen.
Eenmaal Kerselare voorbij (1ste Karabiniers) lagen her en der grote boerderijruïnes die wél bezet waren, maar ook deze bemanningen gaven zich na omsingeling geredelijk over. Zelfs de beruchtste stellingen uit 1917, die zoveel Britse doden hadden geeist in wekenlange veroveringen en heroveringen (Cockroft Farm, Jungburg (Pheasant Farm), de Eagle-linie, Bayern Hof) werden in een constant aangehouden tempo van 30 meter per minuut voorbijgelopen. De meeste Duitsers ("...ze daagden in de vuile, regenachtige dageraad op, met opgeheven armen en met vermoeide en verdwaasde gezichten...", Generaal Wanty) gaven zich "graag en gewillig" over omdat ze, naar ze beweerden, "geen munitie meer hadden", maar veeleer uit opluchting dat de hopeloze strijd voor hen voorbij was.
Toen werd het erger. Op de noordelijke oever van de Stroombeek keek een hele reeks versterkte boerderijen over de vallei uit. Mitrailleurs strooiden er hun dodelijk vuur over alles wat bewoog. De Karabiniers hadden grote moeite om deze nesten uit te schakelen.

Het 1ste Karabiniers veroverde achtereenvolgens de hele rij met elkaar verbonden stellingen met de Engelstalige namen (omdat ze in 1917 de laatste waren die door de Britten konden veroverd worden) York Farm, Winchester Farm, Stoke Farm, Wellington Farm. Vervolgens de Duitstalige (omdat de Duitsers ze in 1917 konden behouden: Adler Haus, Kronprinz Hof en Hof Peter Pan... De hardnekkigste tegenstanders zaten in de Wellington Farm, waar een deel van de kanonniers hog hun stukken bleven laden, terwijl de infanteristen van het 26ste BIR hen met de bajonet beschermden tegen de opdringende Karabiniers. Niet alle Duitsers gaven zich gretig over! Hoe verder de Karabiniers naar het oosten vorderden, hoe harder de tegenstand werd; hoe hoger en droger de grond werd, hoe meer verborgen mitrailleurs in hun rangen maaiden.
Toch kon het 2de Karabiniers zich meester maken van de Ferme du Terrier, de Ferme du Vacher en Varlet Farm en samen met het 1ste Karabiniers ook van het belangrijk gehucht Wallemolen.
Omstreeks 10 uur in de morgen bereikte het 2de Karabiniers het moeras van de Paddebeek (een zijtak van de Lekkerboterbeek), maar het regiment was niet meer bij machte dit te overschrijden. Ook het 1ste en 3de Karabiniers werden tot staan gebracht bij de Ferme de la Source (ook "du Sourd) verderop langs diezelfde Paddebeek. Ze waren nog een halve kilometer van de Flandern II-Stellung verwijderd...

Zware artillerie heeft het zwaar.
Trok de infanterie tot ver in de middag nog goed vooruit, bij de artillerie was dat minder het geval. Nadat ze vanaf halfdrie in de morgen onafgebroken spervuur had gelegd over de voorste Duitse stellingen, stak ze om halfnegen, drie uur na de snel oprukkende infanterie,op haar beurt de Steenbeek over, via speciaal door de genie versterkte bruggen. Om 9 uur bracht ze haar batterijen in positie nabij kruispunt Winnipeg aan de weg Kerselare-Zonnebeke. Maar toen begon de ellende.
Want daar diende van de min of meer nog begaanbare straatwegen afgeweken en dool de marsroute de beekdalen in. De artillerie kon niet meer volgen in het drassige land. Het werd moeilijk voor de 36 stukken loopgraafgeschut en de 20 stukken zwaar kaliber om
à rato van twee salvo’s per stuk en per minuut, de intanterie voldoende voor te blijven. Niet alleen verzonken de kanonnen in de modder, ook de muilezels, die elk met twee manden granaten op de flanken voor de bevoorrading zorgden, konden er niet meer door.

Die infanterie was dus langzamerhand 0p zichzelf aangewezen. Sommige infanteristen hielpen zelfs de artilleristen 0m de loopgraafmortieren achter zich aan te slepen.
Daarover getuigt artillerist 6de batterij Achiel Dumolein uit Westrozebeke, in zijn dagboek "Onze loopgraafmortieren waren van het type Schneider en gekend als de lastigste en gevaarlijkste van het hele front; kleine bommenwerpers op twee wielen die wij zelf voortzeulden, in en uit twee meter diepe loograven, samen met zware zeildoeken die dienden om ze af te dekken eenmaal ze geinstalleerd waren.
Er waren twee soorten: de ene schoot tuigen af van 36 kg het stuk met een reikwijdte van 600 meter; de andere waren de helft lichter (78 kg) maar kwamen tot 1800 meter verte bevatten een lading dynamiet in een omhulsel van een halve cm dik en bleken goedgeschikt om bunkers in de lucht te laten vliegen.
Enige tijd voor het Offensief losbrak door er nog een derde en sterker type loopgraafgeschut op: de mortier Van Deuren, kaliber.105, die een radius aan 2 km had. Maar zelfs die kon niet meer gebruikt werden, eenmaal de infanterie Poelkapelle en de Lekkerboterbeek voorbij was. Wij konden geen enkele loopgraafmortier nog verder door het slijk sleuren en moesten ze voorlopig achterlaten. . .

"De snelle vooruitgang van de eerste uren begon te slabakken.

Ontoereikende bevoorrading.
Niet alleen vertraagde het tempo wegens het moeilijke terrein, er was ook de verhoogdeweerstand van de Duitsers. Men naderde de Flandern II-Stellung! Daar stonden de Duitse kanonnen op het droge en loerden de mitrailleurs vanuit hun hooggelegen verdekte postenover de 20 m lager liggende vlakte.
De verliezen onder de Karabiniers groeiden ontstellend aan. Na de verovering van de Bayernstellung werd het tempo tot 20 meter per minuut afgezwakt, daarna helemaal opgeschort.
Vermoeidheid door het ontzettende terrein sloeg toe. Ook de stank van het door gas en kruitdoordrongen moeras, gemengd met die van rottende onbegraven of uit hun graf omhooggeworpen lijken, was niet te harden, maakte misselijk...

Er werd een kwartier rust ingeschakeld om op adem te komen en de artillerie te laten aansluiten. Ijdele hoop. De bevoorradingsdiensten slaagden er niet in tijdig de troepen in de eerste lijn van verse munitie en mondvoorraad te voorzien. Vooral aan drinkbaar water haddende troepen gebrek, de dorst was altijd het eerste probleem dat zich aandiende, de veldflessen raakten gauw leeg. Water drinken uit de granaattrechters was verleidelijk, maar taboe. De bevoorradingsdienst, voor de artillerie althans, probeerde zoveel mogelijk de nog berijdbare kasseiwegen van vroeger te volgen, nog enigszins te herkennen aan de zwartgerookterijen boomstompen die als kruisen uit de vlakte omhoogstaken, maar iedereen wou die hardere grond op. En dat leidde tot onontwarbare opstoppingen. Wat had voorrang: de aan te voeren bevoorrading of de af te voeren gewonden? De kogel in de munitiekist die dringend naar voren moest om de vijand te doden, of de kogel in de borst van de kameraad die dringend naar achteren diende gebracht om te overleven?

Uit de herinneringen van een artillerie—officier (].Terlinden):

"Wanneer de Karabiniers uit de loopgraven sprongen hadden wij na drie uren vuren nog geen enkel tegenschot van de Duitsers opgemerkt. Wij schoten door tot 8 u over een afstand van 6 km. Maar...plots een zwaar incident: mijn vijfde batterijstuk ontploft! Gelukkig was het projectiel reeds het"schild" voorbij en ze ontsprongen mijn mannen de dans! Enkelen waren wel min of meer verbrand aan de handen en het gezicht.
”Maar we gaan door, commandant."’ riepen ze dapper.

Wij verdubbelden het aantal schoten.
Rond 6.30 u zien we de eerste gevangenen opdagen, een honderdtal, ze roepen "Kamerad !" Want ze hebben hen wijs gemaakt dat de Belgen schieten op Duitsers die zich willen overgeven.
Te 8 u reeds steken we de Steenbeek over en zien we de eerste lijken. Eerst van Duitsers, onder wie officieren, maar later helaas! Ook Belgen. We werden opgehouden door geweldige granaattrechters bij het overschrijden van het Lekkerboterbeekdal. We zitten in vele wildernis en oriënteren ons op paden door de Engelsen het jaar tevoren aangelegd, maar meestal onvindbaar. In de buurt van Poelkapelle heerst grote verwarring. De kolonel wil ons doen positie vatten ten NO van Poelkapelle, maar dit punt ligt niet op onze marsroute!...We houden halt aan de brug van de weg St-Juliaan-Poelkapelle over de Lekkerboterbeek, tussen tankwrakken van’t vorig jaar met de gebeenten van de Britten er nog in...Het divisie HK is veel te ver achtergebleven, het bevindt zich nog in Elverdinge, 14 km achter de infanterie!!... Daarom dus kregen wij geen beveIen...
Te 10 u. Nog niets! Wij vragen ons af of ze ons misschien niet meer nodig hebben!(Hier is de zaak te situeren van de gesneuvelde koeriers en de in de modder verzonken bevoorrading, waardoor de Duitsers zich konden herpakken.)
Te 12.30 u komt eindelijk een bericht. Ze denken weer aan ons. We moeten de Goudberg beschieten (182 granaten) als voorbereiding op een nieuwe aanval van onze infanterie.
21u: Het is zeer koud. Ik schuil onder een oude Engelse geschutspost, onder wat rotte en gebroken planken die me helemaal niet tegen wat dan ook beschutten..."

Moeilijke oriëntatie.
Hoewel de soldaten vooruit wilden, zagen ze in dat dit voorlopig niet meer kon. De rust was dan ook welgekomen en duurde zelfs langer dan voorzien. Want ook de marsroutes moesten bijgestuurd worden. Bepaalde compagnies waren van hun route afgeweken en dreigden door elkaar te geraken. Oriëntatie was uiterst moeilijk, kaarten en schetsjes haast niet te gebruiken, beken liepen niet meer in hun oorspronkelijke bedding of waren niet van de aan elkaar geregen granaattrechters te onderscheiden, het regengordijn en de kunstmatige rook-slierten om de vijand te misleiden beletten ook het eigen uitzicht. De meeste officieren konden zich alleen op het kompas verlaten.

Achiel Dumolein beschreef het in zijn dagboek op zijn eigen kleurrijke manier:
"Ik heb mijn ogen uitgekeken... dit landschap hier is nog honderdmaal meer verwoest dan ons Belgisch front achter de Ijzer. lk ben nochtans van deze streek, maar ik herken me niet meer, de wegen zijn verdwenen.
Geen enkele hofstede is nog te bekennen waar ik gewoond heb, het zijn alleen nog een hoop stenen met netels overgroeid. Zware beuken die er rond stonden, zijn amper nog een meter hoog. Geen plaats ze groot als een keukenvloer is zonder obusput. Sommige van die kraters zijn tot drie meter diep en staan vol lis en riet en hoge grassen van wel twee meter hoog.
Ik zag een been liggen met de scheen er nog aan, veel soldaten lijken zonder been of arm, een officier met een kogel door het hoofd en de revolver nog in de hand...Het werd benauwelijk, ik sloeg in paniek in die onmetelijke wildernis..."

Dreigende omsingeling: Duitse terugtocht.
Om 9 uur rondde het 2de Karabiniers de zuidrand van Poelkapelle en richtte zich pal op de weg naar Westrozebeke. Van in de bocht bij de grote Britse militaire begraafplaats vormde die straat (te herkennen aan de kruinloze maar nog rechtop staande populierenstammen) de zichtbare grens met het regiment 4e Jagers uit de 9de ID.
Dit laatste regiment had als taak de beruchte vesting Poelkapelle, het sleutelpunt van de Bayernstellung, te veroveren. De Duitsers die meenden de stelling rond het enorme bunkercomplex van de Brouwerij Nevejan te kunnen verdedigen zoals dat hun het jaar voordien tegen de Britten was gelukt, waren nu echter veel minder in aantal, nog slechts drie compagnieen van geen 30 man elk! Toen die zich door de vooruitgang van de Karabiniers met insluiting bedreigd zagen, trokken ze zich omstreeks 13 uur over een tweetal kilometer tot in de Flandern II-Stellung terug.

Zeugeberg: opmars gestuit.
Vanaf het gehucht de Spriet tot de Zeugeberg en de Goudberg, ten westen van Westrozebeke, stijgt de bodem sterk. Daar bevond zich de Flandern II-Stellung.De Spriet ligt precies op 30 m boven de zeespiegel, dat is al tien meter hoger dan het amper 2 km westelijk gelegen van Poelkapelle, maar naar Westrozebeke toe stijgt het niveau plots nog sneller, à rato van 20 meter per anderhalve kilometer. Zeugeberg en Goudberg, die samen de beruchte "Feldherrnhügel" vormden, bereiken inderdaad een hoogte van 50 meter. Trapsgewijs bouwden de Duitsers op de helling om de honderd meter- en telkens vijf meter hoger -dikke rijen prikkeldraad, bunkers, mitrailleursnesten en uitkijkposten. Als van op de zit treden van een Grieks theater overzagen zij kilometers ver het toneel van de Ieperboog . En dus ook... de Karabiniers die zich daar doorheen worstelden.

Toen het 2de Karabiniersregiment om 15 uur de Spriet bereikte, lag het nog niet achter op het tijdsschema. Diezelfde avond moest het regiment echter in Westrozebeke zijn! Dat bleek een utopie. De legerleiding had zich vergist bij het inschatten van de sterkte van de Flandern II-Stellung en ook niet vermoed dat de Beierse weerstand en het fanatisme van sommige officieren zo hardnekkig zou zijn.
De verliezen onder de Karabiniers waren plots ontstellend hoog. De aanval moest gestopt.

Vastgebonden Duitse deserteurs?
Westrozebekenaar Achiel Dumolein getuigde in zijn dagboek over deze episode:
”Ze waren met kettingen aan hun machinegeweren vastgebonden."
Andere Karabiniers getuigen hetzelfde, zoals de Poelkapellenaars Maurits Alleman en Albert Baccarne. De laatste werd op zijn eigen dorp de beide benen doorschoten door zo’n vastgebonden Beierse mitrailleur. Twee seconden later sneuvelde eveneens door zo’n schutter hun compagnie commandant Van Aerde. Hij stak juist zijn arm omhoog ten afscheids groeten riep zijn gewonde soldaat nog toe "Bonne chance..." toen de kogel hem velde.

Het dagboek van Achiel Dumolein biedt ook een versie in die aard:
"Doordat wij onze loopgraafmortieren bij Poelkapelle hadden moeten achterlaten, konden wij alleen nog met de veel minder doeltreffende handgranaten de bunkers telijf gaan. Je wist nooit met welke bemanning je te doen zou hebben: zouden ze zich direct overgeven of waren het fanatiekelingen? Dat hing van de stemming van de overste af. Er waren bunkers waar we niemand meer in vonden: soms stonden de machinegeweren met de kogelband er nog in zoals ze haastig waren verlaten, een andere keer antitankkanonnen met niet minder dan tweehonderd granaten ernaast. In andere dan weer vastgebonden Duitsers die geen munitie meer ter beschikking hadden, ze hadden alles verschoten en waren zeer blij zich te kunnen overgeven nadat hun officier hen in plan had gelaten."

Of deze Duitse schutters werkelijk waren vastgeklonken, is niet zo maar uit te maken. Misschien verwarden de Belgische soldaten die "kettingen" met de draagbanden die de mitrailleur schutters en andere granaatwerpers over de schouders droegen; zoals ook Belgen die hadden.
Indien dat vastbinden integendeel wel een realiteit was, dan blijft het vreemd dat in de Duitse regimentsboeken daarvan nergens gewag wordt gemaakt, terwijl ze er toch niet voor terug deinzen te schrijven dat de officieren wel hun revolver tegen de slaap van slappelingen hebben gezet.
En toch houdt Jef Vermeiren (veteraan 17de Linie) vol zoiets met eigen ogen en van dicht bij te hebben gezien:
"Op een plaats, recht voor mij, zag ik een vlaggetje omhoog komen. Ik ging erop af en daarlag een Duitse soldaat 0p de grond met een ijzeren ketting aan het been, aan zijn mitrailleur vastgeklonken. Die soldaat had tot zijn laatste kogel naar ons afgeschoten en bij gebrek aan munitie had hij het vlaggetje omhoog gestoken om zich over te geven. Van de andere mannen die de mitrailleur bediend hadden, was niets meer te zien, die waren achteruit getrokken. Doch deze soldaat werd opgeofferd om de anderen te dekken tot zijn laatste kogel. Met een tang om prikkeldraad door te snijden, sneden wij de ketting over, de mitrailleur bleef liggen en de soldaat werd, met nog een stuk ketting aan zijn been, achter onze linies gezonden."

Bron: Van het Vrijbos tot Roeselare(eindoffensief 1918) door Robert Baccarne en Jan Steen.

Gebruikerslogin

Wie is online

Er zijn momenteel 0 gebruikers en 1 gast online.